Vukeleku! Word wakker met de VU! Kenzi de Boer
Vukeleku! Word wakker met de VU! Kenzi de Boer
´Alles wat zich binnen de wereld bevindt, is onderhevig aan verandering, van het kleinste atoom tot aan de zich uitdijende tijdruimte zelf en uiteraard alles wat daartussen valt. Er kan geen sprake zijn van onveranderlijke objecten wanneer deze objecten zich binnen tijdruimte bevinden: het is immers ook tijdruimte zelf dat veranderd: zij dijt uit´.
Vukeleku! Word wakker met de VU! Kenzi de Boer
- Auteur: Gastauteur Bodhitv
- Geschreven op: 04-07-2011
- Reacties: 0
- Waardering: 2,5 Sterren





Vukeleku! Word wakker met de VU! is een samenwerking tussen Bodhitv en studenten religie en levensbeschouwing aan de VU in Amsterdam. De essays waarmee de studenten hun colleges afsluiten worden op Bodhitv gepubliceerd.
Door Kenzi de Boer
De veranderende wereld en het onbestendige zelf
1.1 Het worden tegenover het zijn
Deze wittgensteiniaanse uitspraak heeft meerdere toepassingen.
Wittgenstein wilde voornamelijk aantonen wat de grenzen zijn tussen het zegbare
en het onzegbare, ofwel tussen zin en onzin. Zijn conclusie is, dat enkel
empirische uitspraken zinvol zijn. De boeddha, als empirist, zou het hiermee
eens kunnen zijn. In ieder geval is er meer met deze uitspraak aan de hand dan
het spreken over het zinnige en onzinnige. Zij gaat namelijk ook het geval is,
maar wat het geval wordt. Nauwkeuriger: de wereld bestaat uit datgene, wat het geval
wordt, want al wat de wereld is, zowel op micro-‐ als op macroniveau, is
onderhevig aan verandering, van het kleinste deel van het atoom de quark tot
aan de zich voortdurend uitdijende tijdruimte zelf.
Alles wat zich binnen de wereld bevindt, is onderhevig aan verandering, van het kleinste atoom tot aan de zich uitdijende tijdruimte zelf en uiteraard alles wat daartussen valt. Er kan geen sprake zijn van onveranderlijke objecten wanneer deze objecten zich binnen tijdruimte bevinden: het is immers ook tijdruimte zelf dat veranderd: zij dijt uit. Om met Heraclitus te spreken: alles stroomt. Tegenover het worden staat het zijn. Men kan het zijn beschouwen als het einde van een wordingsproces waarmee niet gezegd is, dat de dingen een bepaald doel in zichzelf hebben. De dingen binnen tijdruimte bereiken altijd een punt van zijn: wanneer de veranderlijke dingen Tegenover de wordenden staan de dingen die zijn: de zijnden. Alle wordenden worden uiteindelijk zijnden, want alle wordenden kennen een einde. Ik kom hier op terug.
Te onderscheiden van de dingen die geworden zijn is het Zijn
zelf svabhava, zo u wilt. Men kan dit Zijn het goddelijke noemen: het eeuwige,
onveranderlijke, ongeschapene en eindeloze. Maar tegelijkertijd kan men over
dit Zijn geen zinvolle uitspraken doen, want wij kennen op dit moment slechts
de dingen die onderhevig zijn (geweest) aan verandering. Het Zijn onderscheidt zich
daarom fundamenteel van de zijnden, daar wij over de zijnden wel zinvolle (doch
nimmer bestendige) uitspraken kunnen doen. Of het Zijn bestaat is daarom een
vraag die niet beantwoord kan worden.
1.2 De wordenden en de zijnden
Alle dingen, die zich bevinden in tijdruimte, wat zeggen wil, de wereld, zijn
noodzakelijk dingen die worden: de wordenden. Alles wat zich in tijdruimte
bevindt is namelijk eindig. Beëindiging van het wordende is een overgang van
een staat van worden naar een staat van zijn. Een staat van worden neemt altijd
verandering met zich mee en hoe klein deze verandering ook is, zij impliceert
een niet-‐vastheid van de dingen, een niet-‐zelf, zogezegd. In de zin van
verandering zijn de dingen niet-‐zelf. Wanneer de dingen niet meer worden, dan
zijn zij dingen die zijn [geworden]. Op het moment dat het wordingsproces
eindigt, en hier de nadruk op niet-‐teleologie, is het ding een zijnde geworden.
Dat impliceert dat er in geen enkel opzicht meer sprake is van verandering dan
wel verval (kwestie van perspectief, natuurlijk: veranderen de dingen of
vergaan de dingen?). Het zijnde is de in zichzelf onveranderlijke status quo van
datgene, wat eens werd.
Hoever kunnen we gaan met stellen, dat de dingen geen zelf
hebben? Het is niet meer dan passend vast te stellen, dat de dingen geen vaste
kern hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat de dingen geen kern hebben.
Een roos is immers een roos, ook als hij verwelkt is door te stellen, dat we spreken over een verwelkte roos, dan spreken
we over een roos die een bepaalde stand van zaken bereikt heeft, namelijk die
van verwelking, maar nog steeds is de roos een roos en daarmee onderscheidend
van alle andere dingen, die niet die roos zijn, of überhaupt geen roos zijn.
Pas wanneer we vaststellen waar de kern van een object gelegen is, kunnen we
het wordende object onderscheiden van andere, wordende objecten en pas dan
kunnen we vaststellen wanneer iets niet langer wordende is, maar zijnde is
geworden. Is dit mogelijk? Kunnen we de kern van de objecten definiëren zonder
afbreuk te doen aan het object zelf? Deze vragen zijn wezenlijk wanneer we
willen spreken over de vergankelijke mens in een vergankelijke wereld. Hier
komen op terug in het eindessay. (Graag zou ik verder willen gaan over de kern
of het zelf van de verschillende objecten en waarin de objecten zich
onderscheiden. Maar gezien de aard en lengte van dit essay moet ik me beperken
tot de mens).
1.3 Het wordende zelf en het zijnde Zelf
In de werkelijkheid, wier aard veranderlijkheid is, zijn alle dingen wordend.
Dus wanneer we spreken over de mens, of over een mens, dan spreken we altijd
over iets dat onderhevig is aan verandering. Het zou dan ook onzin zijn om te
spreken over een vaste, onveranderlijke kern in de mens, een Zelf. De mens is
in zijn worden immers niet anders dan alle andere objecten in de werkelijkheid.
In het lichaam vinden chemische processen plaats, waardoor het lichaam nimmer op
elk moment hetzelfde lichaam zijn kan. In dat opzicht is de mens gelijk aan
alle andere objecten in de werkelijkheid. Maar zoals gezegd moet ik me beperken
tot een ander aspect van het mens-‐zijn, hoewel ik er niet helemaal van
overtuigd ben dat dit aspect te scheiden is van het lichamelijke. Dit aspect is
het geestelijke.
De reden hiertoe kan voor zich spreken. Mensen onderscheiden zich van elkaar
niet alleen in komen deze verschillen vandaan? De kern van de mens, het zelf,
is de ervaring van het individu dat opgebouwd is tijdens zijn worden en de
nadruk op worden. Het zelf is dan ook niet zomaar een zelf, maar een wordend zelf,
want zolang als geleefd wordt, wordt er ervaren. Het zelf is geworteld in de
ervaring alsmede de oordelen en meningen over die ervaring waarvan de laatste weer voortkomen uit eerdere
ervaringen (nog een reden om geen afbreuk te doen aan causaliteit). Dit zelf is
dus nimmer de vaste kern, want uit elke ervaring volgt een verandering van
percepties en daarmee van dat zelf.
Dit zelf is ongrijpbaar. Proberen het te grijpen is een afbreuk doen aan de ander en aan jezelf, want daarmee probeer je het zelf te grijpen in onveranderlijke concepten en het hele punt van het wordende zelf is dat het veranderlijk is. Hoe zou iets veranderlijks vastgelegd kunnen worden? Alles is veranderlijk en eindig. Vooral dat laatste punt is belangrijk. Niets is bestendig. Ook het zelf niet dat is hierboven besloten. Maar aan het eind van het wordingsproces komt het wordende zelf in een overgangsfase terecht: het gaat over van wordend en dus ervarend zelf naar een zijnd en daarmee onervarend Zelf. Wat is het eind van het wordingsproces? Het ingrijpendste en angstaanjagendste moment dat het leven kent, het ultieme onbekende en ongrijpbare: de overgang van leven naar de dood.
Wanneer het ervarende staakt te ervaren, dus wanneer de dood
intreedt, is het wordende zelf een zijnde geworden. Het bestaande en
niet-‐bestaande zelf is een Zelf geworden: het is onveranderlijk, want het
ondergaat niets meer. Dit heeft wezenlijke gevolgen voor het spreken over de
ander. Het Zelf is namelijk grijpbaar. Het Zelf is gelegen in de herinnering
van de wordenden. Hoewel de herinnering, die de nabestaanden hebben, in
zichzelf nog steeds aan verandering onderhevig is, is het nu wel mogelijk
geworden voor de nabestaanden om bestendige uitspraken te doen over het
voorheen wordende, dat nu zijnde is: de dode. In die zin kan men de essentie,
de kern, van het voorheen-‐wordende grijpen: men kan uitspraken doen over het
Zelf van een individu, zelfs al zijn deze uitspraken altijd slechts een
benadering. Over de wordenden kunnen we geen bestendige uitspraken doen,
aangezien de wordende dingen altijd veranderen. Daarom kan niet gesproken
worden van een Zelf (maar wel van een veranderend, waarnemend zelf).
Het zelf
van de zijnden is echter onveranderlijk en daarom een Zelf. Dientengevolge
kunnen we trachten de essentie van het zijnde te achterhalen. Tegelijkertijd is
onze herinnering aan het zijnde onderhevig aan verandering, want de herinnering
bevindt zich altijd in de wereld van de wordenden; dientengevolge zijn
uitspraken over het Zelf van de zijnden weliswaar zinvol, doch nimmer
bestendig, want zij zijn altijd een benadering en daarom onderworpen aan
interpretatie van de toehoorders en sprekers (vergelijk uitspraken over de boeddha
honderd jaar na zijn dood).
Reactie van Tenkei Coppens, zen boeddhist en abt van Zen River in Uithuizen
Beste Kenzi,
De woorden worden en zijn, vormen een prachtige paradox die van alles bij me oproept. We zijn wie we zijn, en toch zijn we elk moment iemand anders. Laatst kreeg ik een telefoontje van een oude vriend die ik al meer dan dertig jaar niet gesproken had. Hij is natuurlijk veranderd, maar desalniettemin herkende ik zijn stem meteen! Dat is wel weer relatief, want ook zijn stem zal vergaan. Volgens het Boeddhisme is nu eenmaal alles aan verandering onderhevig; er is niets dat ook maar enige zelfstandige substantie heeft - vóór of na de dood. En toch spreken we over de onveranderlijke Dharmakaya. Dat is iets wat zich blijkbaar niet laat kennen via onze gebruikelijke waarneming, maar waar we via een verlichtingservaring direct contact mee kunnen maken. Geboorte en dood blijken dan momenten te zijn binnen een onmeetbare stroom van leven. Zenmeesters leggen veel nadruk op een direct inzicht hierin, omdat we gemakkelijker met de vergankelijkheid om kunnen gaan als we ook de andere kant daarvan ervaren hebben. Bovendien doorbreekt zo'n inzicht de illusie van "de ander" als iemand die fundamenteel anders is dan ikzelf; het toont een onlosmakelijk verband tussen het leven van alles en iedereen. Dharmakaya betekent dan ook Dharma-lichaam, een organisch geheel waar we allemaal onderdeel van zijn.
Even nog een leuk voorbeeld van de paradox. We leven van moment tot moment, en die momenten veranderen steeds. Met andere woorden, het nu is nooit hetzelfde, het is altijd anders. En toch kunnen we ons niet afscheiden van het nu. We leven altijd in hetzelfde nu! Maar dat aspect van nu is onbeschrijfbaar omdat we er geen afstand van kunnen nemen. Dus wat is het?
Illustratie boven: Marijn van der Waa 
De veranderende wereld en het
onbestendige zelf
1.1 Het worden tegenover het zijn
,, Deze wittgensteiniaanse uitspraak heeft meerdere
toepassingen. Wittgenstein wilde voornamelijk aantonen wat de grenzen zijn tussen het zegbare
en het onzegbare, ofwel tussen zin en onzin. Zijn conclusie is, dat enkel empirische uitspraken
zinvol zijn. De boeddha, als empirist, zou het hiermee eens kunnen zijn. In ieder geval is er meer
met deze uitspraak aan de hand dan het spreken over het zinnige en onzinnige. Zij gaat namelijk
ook u
het geval is, maar wat het geval wordt. Nauwkeuriger: de wereld bestaat uit datgene, wat het
geval wordt, want al wat de wereld is, zowel op micro-‐ als op macroniveau, is onderhevig aan
verandering, van het kleinste deel van het atoom de quark tot aan de zich voortdurend
uitdijende tijdruimte zelf.
Alles wat zich binnen de wereld bevindt, is onderhevig aan verandering, van het kleinste
atoom tot aan de zich uitdijende tijdruimte zelf en uiteraard alles wat daartussen valt. Er kan
geen sprake zijn van onveranderlijke objecten wanneer deze objecten zich binnen tijdruimte
bevinden: het is immers ook tijdruimte zelf dat veranderd: zij dijt uit. Om met Heraclitus te
spreken: alles stroomt.
Tegenover het worden staat het zijn. Men kan het zijn beschouwen als het einde van een
wordingsproces waarmee niet gezegd is, dat de dingen een bepaald doel in zichzelf hebben. De
dingen binnen tijdruimte bereiken altijd een punt van zijn: wanneer de veranderlijke dingen
Tegenover de wordenden staan de dingen die zijn: de zijnden. Alle wordenden worden
uiteindelijk zijnden, want alle wordenden kennen een einde. Ik kom hier op terug.
Te onderscheiden van de dingen die geworden zijn is het Zijn zelf svabhava, zo u wilt. Men
kan dit Zijn het goddelijke noemen: het eeuwige, onveranderlijke, ongeschapene en eindeloze.
Maar tegelijkertijd kan men over dit Zijn geen zinvolle uitspraken doen, want wij kennen op dit
moment slechts de dingen die onderhevig zijn (geweest) aan verandering. Het Zijn onderscheidt
zich daarom fundamenteel van de zijnden, daar wij over de zijnden wel zinvolle (doch nimmer
bestendige) uitspraken kunnen doen. Of het Zijn bestaat is daarom een vraag die niet
beantwoord kan worden.
1.2 De wordenden en de zijnden
Alle dingen, die zich bevinden in tijdruimte, wat zeggen wil, de wereld, zijn noodzakelijk dingen
die worden: de wordenden. Alles wat zich in tijdruimte bevindt is namelijk eindig. Beëindiging van
het wordende is een overgang van een staat van worden naar een staat van zijn. Een staat van
worden neemt altijd verandering met zich mee en hoe
Kenzi de Boer, Amsterdam, juni 2011
klein deze verandering ook is, zij impliceert een niet-‐vastheid van de dingen, een niet-‐zelf,
zogezegd. In de zin van verandering zijn de dingen niet-‐zelf.
Wanneer de dingen niet meer worden, dan zijn zij dingen die zijn [geworden]. Op het moment
dat het wordingsproces eindigt, en hier de nadruk op niet-‐teleologie, is het ding een zijnde
geworden. Dat impliceert dat er in geen enkel opzicht meer sprake is van verandering dan wel
verval (kwestie van perspectief, natuurlijk: veranderen de dingen of vergaan de dingen?). Het
zijnde is de in zichzelf onveranderlijke status quo van datgene, wat eens werd.
Hoever kunnen we gaan met stellen, dat de dingen geen zelf hebben? Het is niet meer dan
passend vast te stellen, dat de dingen geen vaste kern hebben, maar daarmee is nog niet gezegd
dat de dingen geen kern hebben. Een roos is immers een roos, ook als hij verwelkt is door te
stellen, dat we spreken over een verwelkte roos, dan spreken we over een roos die een bepaalde
stand van zaken bereikt heeft, namelijk die van verwelking, maar nog steeds is de roos een roos
en daarmee onderscheidend van alle andere dingen, die niet die roos zijn, of überhaupt geen roos
zijn. Pas wanneer we vaststellen waar de kern van een object gelegen is, kunnen we het
wordende object onderscheiden van andere, wordende objecten en pas dan kunnen we
vaststellen wanneer iets niet langer wordende is, maar zijnde is geworden.
Is dit mogelijk? Kunnen we de kern van de objecten definiëren zonder afbreuk te doen aan het
object zelf? Deze vragen zijn wezenlijk wanneer we willen spreken over de vergankelijke mens in
een vergankelijke wereld. Hier komen op terug in het eindessay. (Graag zou ik verder willen gaan
over de kern of het zelf van de verschillende objecten en waarin de objecten zich onderscheiden.
Maar gezien de aard en lengte van dit essay moet ik me beperken tot de mens).
1.3 Het wordende zelf en het zijnde Zelf
In de werkelijkheid, wier aard veranderlijkheid is, zijn alle dingen wordend. Dus wanneer we
spreken over de mens, of over een mens, dan spreken we altijd over iets dat onderhevig is aan
verandering. Het zou dan ook onzin zijn om te spreken over een vaste, onveranderlijke kern in de
mens, een Zelf. De mens is in zijn worden immers niet anders dan alle andere objecten in de
werkelijkheid. In het lichaam vinden chemische processen plaats, waardoor het lichaam nimmer
op elk moment hetzelfde lichaam zijn kan. In dat opzicht is de mens gelijk aan alle andere
objecten in de werkelijkheid. Maar zoals gezegd moet ik me beperken tot een ander aspect van
het mens-‐zijn, hoewel ik er niet helemaal van overtuigd ben dat dit aspect te scheiden is van het
lichamelijke. Dit aspect is het geestelijke.
De reden hiertoe kan voor zich spreken. Mensen onderscheiden zich van elkaar niet alleen in
komen deze verschillen vandaan?
De kern van de mens, het zelf, is de ervaring van het individu dat opgebouwd is tijdens zijn
worden en de nadruk op worden. Het zelf is dan ook niet zomaar een zelf, maar een wordend
zelf, want zolang als geleefd wordt, wordt er ervaren. Het zelf is geworteld in de ervaring
alsmede de oordelen en meningen over die ervaring waarvan de laatste weer voortkomen uit
eerdere ervaringen (nog een reden om geen afbreuk te doen aan causaliteit). Dit zelf is dus
Kenzi de Boer, Amsterdam, juni 2011
nimmer de vaste kern, want uit elke ervaring volgt een verandering van percepties en daarmee
van dat zelf.
Dit zelf is ongrijpbaar. Proberen het te grijpen is een afbreuk doen aan de ander en aan jezelf,
want daarmee probeer je het zelf te grijpen in onveranderlijke concepten en het hele punt van
het wordende zelf is dat het veranderlijk is. Hoe zou iets veranderlijks vastgelegd kunnen worden?
Alles is veranderlijk en eindig. Vooral dat laatste punt is belangrijk. Niets is bestendig. Ook het
zelf niet dat is hierboven besloten. Maar aan het eind van het wordingsproces komt het
wordende zelf in een overgangsfase terecht: het gaat over van wordend en dus ervarend zelf
naar een zijnd en daarmee onervarend Zelf. Wat is het eind van het wordingsproces? Het
ingrijpendste en angstaanjagendste moment dat het leven kent, het ultieme onbekende en
ongrijpbare: de overgang van leven naar de dood.
Wanneer het ervarende staakt te ervaren, dus wanneer de dood intreedt, is het wordende zelf
een zijnde geworden. Het bestaande en niet-‐bestaande zelf is een Zelf geworden: het is
onveranderlijk, want het ondergaat niets meer. Dit heeft wezenlijke gevolgen voor het spreken
over de ander. Het Zelf is namelijk grijpbaar. Het Zelf is gelegen in de herinnering van de
wordenden. Hoewel de herinnering, die de nabestaanden hebben, in zichzelf nog steeds aan
verandering onderhevig is, is het nu wel mogelijk geworden voor de nabestaanden om
bestendige uitspraken te doen over het voorheen wordende, dat nu zijnde is: de dode. In die zin
kan men de essentie, de kern, van het voorheen-‐wordende grijpen: men kan uitspraken doen over
het Zelf van een individu, zelfs al zijn deze uitspraken altijd slechts een benadering.
Over de wordenden kunnen we geen bestendige uitspraken doen, aangezien de wordende
dingen altijd veranderen. Daarom kan niet gesproken worden van een Zelf (maar wel van een
veranderend, waarnemend zelf). Het zelf van de zijnden is echter onveranderlijk en daarom een
Zelf. Dientengevolge kunnen we trachten de essentie van het zijnde te achterhalen. Tegelijkertijd
is onze herinnering aan het zijnde onderhevig aan verandering, want de herinnering bevindt zich
altijd in de wereld van de wordenden; dientengevolge zijn uitspraken over het Zelf van de zijnden
weliswaar zinvol, doch nimmer bestendig, want zij zijn altijd een benadering en daarom
onderworpen aan interpretatie van de toehoorders en sprekers (vergelijk uitspraken over de
boeddha honderd jaar na zijn dood).
Social media
| Tweet |
Laatste artikelen
- Mick filosofeert: van ledenpop tot poppenspeler deel 2
- 17-05
-
- Als je mediteert, raken gedachten over gedachten, en gedachten over het lichaam langzaam op de achtergrond. Desondanks is er het lichaam, als ervaring. Wie of wat is dat?
- Emy voedt op: baas over de jeuk
- 10-05
-
- Emy's zoontje Julio heeft last van jeuk onder zijn gips. Kan meditatie helpen om zijn aandacht af te leiden?
- Radiocolumn Annewieke: Van hyena tot giraffe
- 03-05
-
- Voorlopig ben ik nog een beginner. Een soort hyena met een lange nek. Of een giraf die vals kan bijten.
- Jeroen leest: Krishnamurti
- 26-04
-
- ‘Als je ervoor gaat zitten om te mediteren, zal dat geen meditatie zijn. Als je er je best voor doet goed te zijn, zal goedheid nooit tot bloei komen.' Jeroen Maas bespreekt Krishnamurti.
- Mick filosofeert: van ledenpop tot poppenspeler deel 1
- 14-05
-
- Hoe vaak in je leven ben je gaan: verzitten, slikken, knipperen, snuiten, snuiven, plassen, poepen, fronzen, kriebelen, rekken, strekken, staan, liggen, eten, drinken, rusten, bewegen, poetsen, spoelen, wassen, slapen, zuchten, geeuwen, boeren, scheten, aankleden, uitkleden enzovoorts? En dat elke dag opnieuw..
- Radiocolumn Ferry: hoe bewust is bewust?
- 07-05
-
- 'Ik ben vandaag zo bewust, zo bewust, zo bewust, ik ben vandaag zo bewust, zo bewust was ik nog nooit!'
- Het zesde avontuur van Ego
- 30-04
-
- Lees de avonturen van onze eerste Bodhitv stripheld Ego! Door Rob Chrispijn en Frits Jonker. Deel zes.
- Fedde luistert: Geshe Pema Dorjee
- 23-04
-
- Niet schaden, anderen helpen, mededogen, liefdevolle vriendelijkheid: de thema's keren steeds terug. Gelukkig keren ze terug!

Reageer
Om te reageren moet je ingelogd zijn.
Meld je aan op de registratiepagina of log in.